Collegiale consultatie

 

Intervisie. Ik begreep wel waarom mijn leerlingen tegen deze term aan schopten. Even als termen als supervisie en collegiale consultatie.
Ook ik schopte hier in mijn studententijd vaak tegenaan.

Jeuk
Een docent kwam dan, goed bedoeld, aan met het welbekende kwaliteitenspel. Ik kreeg abrupt jeuk. Mijn studiegenoten en ik keken elkaar dan aan en trokken onze neuzen op. We maakten flauwe grappen dat we elkaars kwaliteiten door de vele herhaling feilloos op konden dreunen. Waren we dan klaar? Toch zie ik dit zelf nu heel anders. Ik begin steeds meer het belang van intervisie te begrijpen. Sterker nog: ik was blij dat er gehoor gegeven was aan de vele wensen van docenten voor het implementeren van intervisie. Drie keer in het schooljaar weliswaar. Maar toch.


Geen tijd  

Het was half mei. Het was tijd voor intervisie. De eerste bijeenkomst was al verstreken. Mijn collega had de agenda al per mail doorgestuurd. Wie wist een situatie? Wie wilde voorzitten? Niemand reageerde. Een interessant gegeven. Waar iedereen de grote behoefte voelde om intervisie te volgen, bleek het toch niet de bedoeling om dit zelf te gaan voorzitten of tijd te maken om een situatie te bedenken, uit te typen en te delen. Er moest immers les gegeven worden, vele verslagen lagen te wachten, er waren stage bezoeken, afspraken, vergaderingen, projectgroepen, zorgleerlingen… kortom: er was geen tijd. En dat was dan steevast ook de eerste inbreng tijdens een intervisiebijeenkomst. Niet voorbereid natuurlijk.

 
'Ik vind het nogal wat hoor...'

Onze intervisie begon. We hadden anderhalf uur de tijd. Wacht, het teamplan moest eerst nog besproken worden in het ‘grote’ team. We hadden nog een uur de tijd. We moesten uiteen in subteams maar eerst moesten we nog een aantal mededelingen bespreken. We hadden nog dertig minuten de tijd. We moesten bepalen hoe we de tijd gingen indelen, waar de behoeftes lagen, welke vorm we gingen gebruiken – en zo hadden we nog maar twintig minuten de tijd. ‘Ik moet wel om half vijf weg hoor! Volgende afspraak…’ De tijd begon te dringen. Mijn collega vroeg of er ook nog leerlingen ingebracht moesten worden alvorens we met intervisie zouden starten. Mijn duo-collega, met wie ik samen een klas begeleidde, begon te zuchten. ‘’Ja. Heel veel. Ik vind het nogal wat hoor. Gister kwamen er wéér twee studenten bij me met enorme problemen.’’ Ik bespeurde enige emotie in haar stem. ‘Intervisie’ was begonnen.

 
Grijs gebied

Ik vulde mijn collega aan en vertelde het team over de vele problemen in onze klas. Ik noemde het grote uitvalpercentage. ‘Vanmorgen hadden we een gesprek met een leerling. Eén van mijn eerste vragen was waar ze vanavond slaapt. Ik vind dat nogal wat…’ Samen met haar telde ik nog drie studenten zonder veilige thuishaven. Ik ervaarde hierin een spanningsveld. Waar ligt de grens tussen hulpverlener en docent? Waar liggen je verantwoordelijkheden? Hoever ga je? Ik zag collega’s instemmend knikken. Mijn collega zei me dat hiervoor een speciaal begeleidingsteam op school was. Dan kon ik het toch loslaten? Ik wist echter dat het soms te lang duurde voordat er, praktisch gezien, hulp geboden kon worden. Moest ik er dan maar op vertrouwen dat ik diezelfde avond mijn leerling niet onder een brug zag liggen? Een andere collega keek me aan en vroeg: ’Wat wil je doen dan?’ Ik gaf aan dat ik met studenten mee kon denken. Praktisch kon kijken welke instanties haar of hem zouden kunnen helpen. Inventariseren welke mogelijkheden haar netwerk kon bieden. Nee, ik had er thuis geen last van, maar ik vond het grijze gebied soms ingewikkeld.

 
Het kleine contact

‘Soms kun je iemand in je lessen even bemoedigende woorden geven. Dat scheelt al een hele boel’ vervolgde iemand. Dat klopt. Maar daarmee diende ook meteen mijn tweede probleem zich aan. Want… wanneer dan? Ik zag mijn leerlingen een paar uurtjes. In deze uren signaleerde ik enorm veel. Vervolgens kon ik hier niks mee. Ik gaf ze verder geen les en mijn agenda kende geen lege bladzijden meer. Het voelde niet goed om met veertig verslagen naar huis te fietsen maar mijn leerlingen niet écht te hebben gesproken. Maar betekende dit dan dat ik, zoals ik nu wel deed, in mijn vrije tijd op school vertoefde om leerlingen te zien en spreken? Wat resulteerde in het nakijken van verslagen in mijn weekenden? Anderzijds was ik me er van bewust dat de leerlingen deze signalen niet voor niets gaven. Thuis was het niet altijd veilig. Wat als ze ook op school niet gehoord werden? Zit de kracht van onderwijs niet in dit ‘kleine contact’? Soms vertelden leerlingen mij dat ze jaren met grote problemen rond hebben gelopen op school. Nooit iemand die ze iets gevraagd heeft. Nooit iemand die ze écht gezien heeft. Zo’n docent wilde ik niet zijn.


De redder 

Een docent vertelde dat hij de leerlingen soms mailt. ‘Gewoon even vragen hoe het gaat. Meer niet.’ Een ander reageerde hier meteen op. ‘Waarom moet je buiten je uren aanwezig zijn voor ze? Ze weten toch op welke uren je beschikbaar bent? Bovendien moet je uitkijken met termen als ‘je weet me te vinden’. Ze wéten je wel te vinden.’ Uiteraard werd dit geïllustreerd met een uitleg over de ‘reddersdriehoek’ (Het blijven docenten…) Ik dwaal even af en denk aan Yvonne. Twee uurtjes daarvoor was ze me op komen zoeken. Het ging echt niet goed thuis. Met al haar restjes lef heeft ze eindelijk de stap durven zetten om naar de lerarenkamer te lopen. Om hulp te vragen. Lange tijd heb ik met haar gesproken. Relatief opgelucht en dankbaar verliet ze school. En ja, dit was in eigen tijd geweest. Was dat dan wat ik stiekem wilde zijn? De redder? Ik geloof het niet. Wilde ik iemand zijn die altijd maar beschikbaar was voor leerlingen? Ook dat geloof ik niet. Maar waar ligt dan de grens?

 
Relativerend licht

Mijn collega wierp haar relativerende licht op de situatie en noemde dat zij door de jaren heen vooral geleerd had om het los te kunnen laten. ‘Weet je Anke, voor jou is zo’n situatie nieuw. Jij schrikt en wilt dan heel graag dat zij het net zo goed hebben als jij. Maar deze studenten weten soms niet beter. Lopen al jaren met deze problemen rond. Die paar maanden lukt ze dan ook nog wel.’ Soms was het beter om los te laten en te blijven focussen op dat diploma. Want dát leidde tenslotte tot grotere kansen op de arbeidsmarkt. We kwamen er niet uit. Onze twintig minuten waren al lang verstreken. Het oorspronkelijke punt: het inbrengen van leerlingen, was nog niet eens aan de orde gekomen. We liepen een half uur uit. Ach, het zou ook de eerste vergadering zijn geweest die op tijd afgelopen zou zijn.


Loslaten  

Terwijl ik even later nadacht over de woorden van mijn collega’s, sprak met name het ‘loslaten’ mij aan. Misschien moest ik gewoon weer eens een boek gaan lezen. Uitgebreid koken. Die mindfullnes cursus weer oppakken. Sporten. Mijn hoofd weer eens écht legen. En geen laptop meer na 18.00 uur. Terwijl ik mijn laptop af wilde sluiten, kreeg ik een mail binnen van een paniekerige leerling. Ik zag een gemiste oproep. Een boek lezen ja. Vanavond. Heus. Maar nu eerst nog wel even deze mail beantwoorden.

 

Commentaar schrijven

Commentaren: 0