De laatste halte

 

Het eerste beeld dat ik zag, was een jongen die samen met zijn begeleider van de trap gleed. De begeleider probeerde de jongen in bedwang te houden. Mijn kersverse collega, die mij op dat moment een rondleiding gaf, snelde naar het duo om te helpen. ‘Tja, zo gaat het hier soms’ vertelde hij even later. Het was mijn eerste inwerkdienst van mijn splinternieuwe baan bij een woonvorm voor jongeren met psychiatrische problematiek.

 Knoop

‘Die ramen komen er nog wel in hoor. Ze zijn er net uitgeslagen. De politie stond afgelopen weekend weer op de stoep.’ Ik moest even slikken. Ik was door mijn vorige baan wel gewend geraakt aan dit soort taferelen. Bezoeken van de politie waren me niet vreemd, de doelgroep niet onbekend. Toch ontstond er een knoop in mijn maag die bleef groeien en mij 's nachts uit mijn slaap hield.

 

Sober

Misschien kwam het door het sobere gebouw. De felgekleurde deuren leken misplaatst in dit kille geheel. Deuren piepten of waren eruit getrapt en niet meer vervangen. Het meubilair was bij elkaar geraapt. Het was er immens koud. Niks in het gebouw gaf mij een huiselijk of warm gevoel.

 

Afvoerputje

Mijn collega's werkten hard voor de jongeren. Toch voelde ik dat ze hen hadden opgegeven. Eigenlijk was deze woongroep het afvoerputje van de hulpverlening. Er waren twee opties. Mochten ze het hier redden dan was dit voorlopig hun laatste halte. Als het hier mis ging, dan moesten ze naar een gesloten afdeling. Een actieve methodiek hadden ze niet meer en regels waren hun kracht verloren. Voor de jongeren was het een kwestie van overleven.

 

Niet prettig

Zo'n overleefstand gold ook voor mij. De jongeren waren snel agressief. Ze voelden zich niet verantwoordelijk om samen te eten of te koken. Samen boodschappen doen ging vaak niet meer door het winkelverbod. Het taxibusje kwam 's morgens dikwijls voor niks het erf oprijden. De geur van wiet overheerste in het gebouw. Of van poep, dat gebruikt werd voor artistieke uitspattingen op de muur. De bezuinigingen zorgden voor grote groepen met één begeleider. Echt prettig voelde ik me nooit. Een collega kon pas te hulp schieten als hij de mogelijkheid zag om zijn eigen groep te verlaten.

 

Contact

Ik heb de meeste jongeren nooit echt mogen leren kennen. De enige met wie ik contact kreeg was Maaike. Haar hechtingsproblematiek gaf ons contact een dynamische twist. Vaak zat ze verstopt achter het gordijn, was ze boos. Daarna kroop ze me aan. Ik was stom, maar ze wilde wel graag dat ik weer kwam werken.

 

De druppel

Voor mij was de druppel een heftig telefoongesprek met ouders en politie. Ik kon het niet meer. Alles in mij protesteerde. Ik wilde niet pappen en nathouden. Ik wilde geen treurig gebouw en alleen op een onveilige groep staan. De uitzichtloze blik in de ogen van de jongeren achtervolgden mij. Ik walgde van de geur van wiet en poep. Ik wilde geen laatste halte. Mijn schuldgevoel groeide. Mijn vertrek bevestigde de treurige spiraal waarin zij al jaren verkeerden.

 

'Jij kan tenminste weg'

Het kon de jongeren ogenschijnlijk weinig schelen. Ze waren het gewend. Ik was overigens niet de enige die vertrok. Eén jongen had het niet gered. Zijn nieuwe bed stond op een zaal in een gesloten jeugdinrichting. Ik vertelde Maaike over mijn vertrek toen ik haar naar bed bracht. Ze zei dat ze net had besloten mij aardig te vinden. Kwam ik dit weekend weer? Ik vertelde dat ik weg ging. Ze kroop onder de dekens. Ze heeft me niet meer aangekeken. De dekens smoorden het geluid van haar stem. Toch hoorde ik haar woorden luid en duidelijk. 'Jij kan tenminste weg.'

 

 

 

 

Commentaar schrijven

Commentaren: 0