Een brug te ver



‘You’re my wonderwall’ klinkt het vanaf Thomas, de plaatselijke openlucht bar. Ik maak een wereldreis en bevind me op dit moment in een relaxed toeristenplaatsje aan de rand van de jungle. Een coverband speelt de ene hit naar de andere. Iedereen staat op de dansvloer en Indonesiërs kijken lachend toe of er wel genoeg gedanst wordt. Ik drink een biertje en geniet. Na een poosje besluit ik dat het genoeg is geweest, ik moet de rivier nog over. Als ik de overkant veilig bereik, voel ik me even de dapperste vrouw op aarde. Al snel maakt mijn euforie plaats voor schrik: iemand lijkt me op te wachten.


Prostitutie 

Het is een meisje van een jaar of twintig met een Indonesisch uiterlijk. Ze ziet dat ik schrik en biedt haar excuses aan. Ze vertelt me dat ze graag met iemand wil praten. Ze ziet mijn verbaasde gezicht en zegt dan snel: ‘Je zult het wel raar vinden dat ik je aanspreek. Misschien denk je dat ik gek ben, maar heb je vijf minuten tijd?’ Eigenlijk heb ik geen zin, maar mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn ego. Ik begrijp niet goed wat ze wil en waarom ze in het holst van de nacht alleen rondloopt. Er ontstaat een vreemd gesprek dat al snel meer de diepte ingaat. Ze vertelt me dat ze achttien is en Maran heet. Ze vertelt me dat ze graag met Europeanen in contact komt. ‘Mijn vrienden vinden het gek dat ik oprecht geïnteresseerd ben in westerlingen. Om eerlijk te zijn is het hier normaal om geld te verdienen aan rijke toeristen. Ik wil dat niet, maar mijn vrienden vinden dat raar. Ze vragen steeds waarom ik na een gesprek met een toerist geen geld achterover heb geslagen.’ Ze ziet mijn vragende blik en vervolgt dan: ‘Het is hier, als vrouw, normaal om een westerse man te versieren en na de seks geld te vragen. Of te stelen.’ Ze bloost. 


‘Die vrouwen? Dat zijn eigenlijk mannen’

Maran legt uit dat prostitutie hier veel voorkomt. Bijna al haar vriendinnen doen het om geld te verdienen. Ook homoseksuelen spreken hier ’s nachts een eigen taal. Het dorp is Christelijk en homoseksualiteit is een groot taboe. Twee vrouwen passeren ons. Ze stoot me aan. ‘Zie je die vrouwen? Kijk eens goed naar hun gezichten. Het zijn verklede mannen.’ De ‘vrouwen’ lopen in het holst van de nacht rond voor ontmoetingen met (andere) mannen. Het geluid van hun hakken klinkt misplaatst in de donkere nacht. Ze vraagt me naar de seksuele opvattingen in Nederland en hoort het met open mond aan. Ze is razend nieuwsgierig en wil de volgende dag graag voor me koken om verder te kunnen praten. Als ik wegloop, hoor ik nog net haar aarzelende woorden. ‘Vind jij dat ik mijn vriendin moet helpen met het versieren van een westerling?’


Seksuele opvattingen

De volgende dag loop ik naar haar huis. Jonge jongens begroeten me. ‘Hello! How are you? Why are you so tall’ vraagt de stoerste van het groepje. Een andere jongen roept iets naar me. Dan trekt hij zij  broek naar beneden en laat mij zijn piemel zien. De groep gilt het uit van de pret. Ik val even stil, verrast door de onverwachte wending van deze ontmoeting. Hoewel ik het gedrag herken van jongeren waar ik in Nederland mee heb gewerkt, voelt het erg onwennig. Er zijn geen duidelijke kaders. Wat is mijn verantwoordelijkheid? Een Indonesische man kijkt toe en lijkt zich dit in ieder geval niet af te vragen. Hij lacht met de jongens mee. Behoedzaam loop ik door, meer dan ooit bewust van hetgeen dat mijn westerse, vrouwelijke verschijning hier op kan roepen.


Denkbeelden

Maran wacht me al op in haar huisje. Het is klein, sober en vies. In deze huisjes leven volledige gezinnen. Wat ze in een jaar aan huur betaalt? Net zoveel als ik betaal voor mijn tweedaagse jungletrekking. Maran vertelt dat ze zo graag het verschil wil maken in de wereld. Ze wil studeren, carrière maken. Maar hoe? Geld heeft ze niet, het onderwijs hier is slecht. Geld is de oplossing, suggereert ze. En opnieuw vertelt ze dat ze graag een Europese vriend wil. Het zou haar kansen vergroten. De mannen hier zijn niet geschikt, zij zijn bekrompen en teveel ondergedompeld in de Indonesische cultuur. Tegen beter weten in, stuur ik het gesprek aan op universele denkbeelden en probeer ik nuance in haar wereldbeeld aan te brengen. Tevergeefs natuurlijk. Hoe hard ik ook duw, ik krijg de westerse wereld niet van haar voetstuk af. Ik denk over haar woorden na. Ik begrijp haar denkwijze wel, hoewel ik haar situatie nooit écht zou kunnen begrijpen. Ze vraagt me wat voor problemen ik in Nederland heb. Ik denk aan de gesprekken die ik met mijn vrienden heb, waarin we soms klagen over onze eerste wereld problemen. Ik vind de woorden niet, kan onze werelden onmogelijk met elkaar rijmen. ‘If I get money, I’ll become happy. If I don’t get money, I’ll become a philosopher’ besluit ze met haar eigen versie van de wereldbekende uitspraak. ‘Socrates, right?’ Ik knik stijfjes.


‘Ik wou dat ik jou was’

Om haar te bedanken voor de lunch, neem ik haar die avond mee uiteten. Langzaam maar zeker word me duidelijk waarom ze zo gefocust is op het vinden van een vriend. Ze vertelt over haar jeugd. Hoe ze na de scheiding als kind als een ‘nomaad’ leefde omdat niemand de middelen had om voor haar te zorgen. Hoe ze zich verlaten voelde, de trauma’s die ze opgelopen heeft door vele gebeurtenissen. Ze noemt zich vaak depressief te voelen en meerdere persoonlijkheden te hebben. Ze heeft gegoogeld en denkt aan een dissociatieve identiteitsstoornis. En ja, ze denkt stiekem vaak aan de dood. Ze hunkert naar liefde en vertelt me daarom zo van Europeanen te houden. Ze zoekt de warmte en genegenheid in diens lichte ogen. Dan vraagt ze me naar mijn verhaal. Het is nagenoeg perfect. Ze kijkt me lang aan. ‘Ik wou dat ik jou was.’ Dan stuurt ze het gesprek een luchtige kant op. Mij krijgt ze niet meer mee. Een steen ligt in mijn maag, mijn ogen richten zich op de uitgang. Ze ziet het en vraagt of ik moe ben. Voor de tweede keer vandaag, vraag ik me af hoe ik de brug kan slaan tussen onze werelden. Hoe leg ik uit hoe er in ‘mijn’ wereld daadwerkelijk hulp voor haar is? Hoe ik heb gewerkt met meiden als zij en hoe ik hen doorverwees naar specialistische hulp? Wat is haar perspectief? De enige naar wie ik Maran door kan verwijzen is zichzelf. 


In het donker loop ik de weg terug naar mijn houten huisje. Ik loop tussen de apen die me in de ochtend nog zo vrolijk maakten. Om me heen hoor ik het geluid van een gitaar, ik hoor vakantiegangers zingen. Ik denk aan hoe ik de avond ervoor één van hen was. Het lijkt ineens heel ver weg. Ik schrik op van het geluid van mijn telefoon. Maran wenst me nog een fijne tijd.